Jaarthematekst 2018


Het Nationaal Comité heeft NIOD-directeur Frank van Vree gevraagd om de Jaarthematekst over verzet te schrijven.


Door Frank van Vree

 “Wat zou jij doen?” – is wellicht de meest gestelde vraag die leerlingen na een les over onderdrukking en verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog gesteld krijgen, soms in een spelvorm. Ook musea proberen hun bezoekers met vergelijkbare vragen tot een stellingname en identificatie te verleiden. En we zullen het onszelf ongetwijfeld ook wel eens afvragen: wat zou ik onder die omstandigheden doen? De vraag is gemakkelijk gesteld – té gemakkelijk. In de eerste plaats zijn er maar weinig mensen die openlijk durven te bekennen dat ze niet zouden helpen wanneer ze gevraagd wordt een Joods kind of een geallieerde piloot een schuilplaats te bieden. En belangrijker is, dat zo’n vraag pas écht betekenis krijgt wanneer je probeert je in te leven in de complexe omstandigheden waarin zulke besluiten genomen werden.

Verzet is geen simpele keuze

Vanuit het heden bezien, lijkt het allemaal zo logisch, verantwoord en spannend: er is een vijand, je ziet hoe onrechtvaardig de wereld is geworden en je komt in verzet, vol geheime ontmoetingen en dramatische momenten, waarbij aan het eind van het verhaal het recht zegeviert. Dat is het beeld van verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, zoals het is overgeleverd in talloze verhalen, romans en films. Maar de werkelijkheid was vaak minder simpel en spectaculair, of het nu ging om Nederland en Nederlands-Indië/Indonesië of andere landen die zuchtten onder oorlog, onderdrukking en geweld.

Om te beginnen maakten mensen verstrekkende beslissingen zonder de gevolgen te kennen: zeker de eerste jaren was het onduidelijk of de Duitsers en Japanners de oorlog zouden winnen of verliezen. Wie besloot een onderduiker te huisvesten, een illegale krant te beginnen of in het gewapend verzet te gaan, deed dat met het oog op een ongewisse toekomst – en vaak ook nog betrekkelijk impulsief, zo weten we uit getuigenissen. De gevolgen van zo’n besluit konden desastreus uitpakken, zelfs in het geval van weinig spectaculaire of geweldloze acties. Je kon worden opgepakt of je baan verliezen, waardoor je gezin of je familie brodeloos werd, maar er konden ook represailles volgen in de vorm van razzia’s, om maar een paar extremen te noemen. Dat is ook wat er in werkelijkheid gebeurde en de bezetter deed er alles aan om de angst voor die extremen te voeden. Er zijn dan ook heel wat mensen geweest die zich daarom onthielden van daadwerkelijke acties, al hadden ze genoeg redenen om in verzet te komen. Denk daarbij aan Joodse Nederlanders die gehoor gaven aan de oproep van de nazi’s zich te melden voor transport naar Westerbork, uit angst dat hun familie anders gestraft zou worden. Vanuit dat perspectief is het niet zo verwonderlijk dat jongere alleenstaanden en mensen met zeer sterke overtuigingen in het ‘hardere’ gewapende verzet relatief oververtegenwoordigd waren.

Motieven om in verzet te komen

De motieven die mensen hadden om het risico van bestraffing, soms zelfs met de dood, wel te nemen, liepen sterk uiteen. Voor de een vormde een betrekkelijk klein incident, op straat, op het werk, in de winkel, een directe, sterke impuls; aan de andere kant stonden degenen die zich lieten inspireren door grootse idealen. Daartussen lag een waaier van mogelijke beweegredenen. Soms was een daad van verzet het laatste wat overbleef om familieleden of kameraden te helpen, voor anderen vormde de illegaliteit de enige uitweg om te kunnen overleven, om te ontkomen aan honger en kou, aan razzia’s en deportaties. Die dwangsituatie gold in elk geval voor veel mensen in het laatste oorlogsjaar in Nederland, en nog meer in de kampen elders in Europa en Azië.

In de naoorlogse herinneringscultuur is die veelheid aan motieven goeddeels verdwenen achter grote en meeslepende woorden, gebeiteld in monumenten die reppen van het vaderland, God, de klassenstrijd, solidariteit, vrijheid en democratie. Dat zijn abstracte begrippen, die soms moeilijk te verbinden zijn met de getuigenissen van de mensen die daadwerkelijk tot verzet – groot en klein – overgingen.

Neem de schrijver en criminoloog J.B. Charles, pseudoniem van Willem Nagel, tijdens de oorlog een actief verzetsman, die in beweging kwam toen de eerste maatregelen tegen zijn Joodse medeburgers werden genomen. ‘Ik verdom het’ – in die uitroep lag voor Nagel de essentie van de verzetsdaad: het moment waarop het genoeg was geweest en hij het heft in eigen hand nam. Hij deed dit niet uit liefde voor allerlei verheven waarden, maar omdat zijn geweten het hem vroeg – het geweten, ‘die hoogstpersoonlijke intellectuele en ethische bloedvaten en kringspieren’.

Dit zijn woorden die vandaag nog even helder en relevant zijn als toen en waaruit dan ook inspiratie kan worden geput. Niet abstracte waarden, maar het besef van verantwoordelijkheid voor de mensen om hen heen zette mensen als Charles en zijn geestverwanten aan tot actie. Voor de Joods-Franse filosoof Emmanuel Levinas, die de oorlog overleefde in Duitse krijgsgevangenenschap, ligt in dat natuurlijke gevoel van betrokkenheid bij de medemens zelfs de essentie en het begin van alle moraliteit. Het gaat erom, aldus Levinas, dat we ‘het gelaat van de Ander’ durven zien, als het meest sprekende deel van het weerloze schepsel dat de ander is. Omgekeerd ziet Levinas het ontwijken van de blik van de medemens als het begin van alle geweld. Anders gezegd: in een samenleving waarin men ophoudt verantwoordelijkheid te nemen voor de ander, is de menselijke waardigheid gedoemd verloren te gaan en is ieder mens overgeleverd aan zichzelf, temidden van willekeur en rechteloosheid. Dit geldt zowel voor gebieden waar oorlog is als voor landen waar vreedzaam wordt samengeleefd.

Verantwoordelijkheid nemen voor de ander

Het besef van verantwoordelijkheid voor de ander – dat is waar een discussie over de actuele betekenis van het verzet mee zou kunnen beginnen. Wat zou ik doen wanneer er een beroep op mij wordt gedaan, wanneer ik zie dat de waardigheid van de ander in het geding is? En hoe ver strekt mijn verantwoordelijkheid, welke middelen zijn gerechtvaardigd, welke gevolgen, voor mijzelf en voor anderen, vind ik aanvaardbaar? En hoe kies ik een kant als mijn eigen toekomst onzeker is?

Op onze zoektocht naar antwoorden kan de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog ons helpen, juist omdat die oorlog, met al zijn verschrikkingen, in zo veel opzichten nog dicht bij ons staat. Een bezoek aan een museum, het bijwonen van een herdenking of het lezen van een boek kan het beginpunt van zo’n zoektocht vormen, maar is niet voldoende. Waar het om draait is na te denken over de wereld van toen én de wereld van nu, en dan over te gaan tot zelfonderzoek, met als belangrijkste vraag: in hoeverre sta ik werkelijk open voor het beroep dat de ander op mij doet?

 

Frank van Vree (1954) is directeur van het NIOD sinds september 2016. Daarvoor was hij o.a. decaan van de Faculteit Geesteswetenschappen en hoogleraar Mediastudies aan de Universiteit van Amsterdam en de Erasmus Universiteit, fellow aan het NIAS en gastonderzoeker aan New York University. Van Vree studeerde moderne geschiedenis en filosofie in Groningen en Leiden en publiceerde op uiteenlopende terreinen, van moderne geschiedenis en historische cultuur tot mediastudies en journalistieke cultuur, waaronder De Dynamiek van de Herinnering (met Rob van der Laarse, 2009) en Performing the Past. Memory, History, Identity (met Karin Tilmans en Jay Winter, 2010). Zijn onderzoek richt zich momenteel o.a. op de geschiedenis van de Hollandsche Schouwburg en de raciale en geopolitieke aspecten van de geschiedenis van het Derde Rijk.

www.niod.nl
foto: KNAW